Categorieën
Schrijvers van toen

Emmanuel Bove, Bécon-les-Bruyères

Emmanuel Bove leefde van 1898 tot 1945. Als hij veertien jaar is besluit hij dat hij schrijver wil worden. Nadat hij eerst een aantal populaire romans heeft geschreven onder het pseudoniem Jean Vallois, publiceert hij in 1924 zijn eerste roman onder de naam Emmanuel Bove: Mes Amis. Het boek is een succes. Het oeuvre van Bove heeft een geheel eigen karakter. Vooral portretteert hij mensen, op een fijnzinnige, enigszins melancholieke manier, gewone mensen, mensen die het meestal niet zo erg getroffen hebben in het leven.

In Bécon-les-Bruyères observeert hij geen mensen, maar een stad. Dit boekje werd oorspronkelijk in opdracht geschreven voor een uitgever die een reeks ‘Portretten van Frankrijk’ uitgaf. Steden als Toulon, Rouen en Marseille werden geportretteerd door bekende schrijvers. Geheel in zijn eigen lijn, portretteert Bove geen prachtige stad met een roemrijk verleden, maar het voorstadje van Parijs waar hij op dat moment woont: Bécon-les-Bruyères. Een onopvallend, lelijk, doodgewoon stadje. Er valt helemaal niets te beleven, behalve als je door de ogen van Emmanuel Bove kijkt.

bove_website

Bécon-les-Bruyères

1

Het treinkaartje dat je koopt naar Bécon-les-Bruyères lijkt op dat waarmee je naar willekeurig welke stad reist. Het is van het in Frankrijk eens en voor al vastgestelde formaat. Op het retourtje staat dezelfde rode R als op een kaartje naar Marseille. Op de achterkant staan dezelfde vermaningen. Je gedachten gaan naar die directeuren die de macht hebben een stuk papier de waarde te geven die zij willen, door er simpelweg een cijfer op te laten drukken, en dat brengt je vervolgens op de gedachte dat er geen verschil is in administratieve formaliteiten, of het nu gaat om het innen van een franc of een miljoen. Alleen dat kaartje van gewoon papier en van ongewoon formaat dat de controleur aan een reiziger zonder vervoerbewijs geeft, nadat hij er een handtekening op heeft gezet die net zo nutteloos is als die op een reclamefolder, lijkt te passen bij een reis naar Bécon-les-Bruyères.

Net zo min als er goede kinderen wonen in de rue des Bons-Enfants, of lelies staan in de Closerie des Lilas, of een calvarie op de place du Calvaire, bloeit er nog heide in Bécon-les-Bruyères. Voor zover ze nog niet dood zijn, herinneren de genodigden die in 1891 aanwezig waren bij de opening van het station, of de eerste voetbalspelers met korte broeken tot op de knieën, zich misschien nog wel het braakliggende land waar de heide groeide, de enkele fabrieksschoorstenen te midden van open vlaktes, en de houten kramen die nog niet afgeschuind waren op de tijdens de oorlog bedachte manier. Als zij nu op deze plek terug zouden komen, zouden ze vergeefs zoeken naar de vlaggen en de lampions, of de kleedkamer en de doelen die ze zich herinneren. Hoewel ze toen al volwassen waren, zouden de straten hen nu toch kleiner toeschijnen. Bécon-les-Bruyères is groot geworden zonder hen. Het heeft de stad, als een bezadigd geworden feestnummer, moeite gekost serieus te worden genomen. De getuigen van haar verleden brengen haar in verlegenheid. Ze ontvangt die dan ook koeltjes, in een station dat lijkt op alle andere. Als ze toevallig een eindje zouden gaan wandelen, zouden ze toch wel wat heide vinden, maar er is nog maar zo weinig over dat een stad er net zo min naar genoemd zou worden als een café als La Closerie naar het boeket lelies van een vreemdelinge. Huizen van vier tot acht verdiepingen nemen de velden in beslag waar de heide bloeide. Omdat ze gebouwd zijn op tuinen, op historische plaatsen, op stukken grond waar bij het graven van de funderingen munten, botten en beeldjes aan het licht kwamen, is de uitdrukking op hun gevel er een van mensen die andere mensen leed hebben aangedaan, en wier positie berust op de zelfverloochening van hun vrienden. Ze zijn verstard. De bewoners die uit het raam kijken, de rook uit de schoorstenen, de naar buiten waaiende gordijnen, brengen ze niet tot leven. Ze drukken met hun hele gewicht op de heideplanten, zoals grafmonumenten op het weerloze lichaam van de doden. En als een van die gebouwen gesloopt zou worden omdat het niet in de rij past, en er op die plek weer heide zou groeien, zou een vreemdeling denken dat het die planten waren, en niet de heide die er niet meer is, die de bewoners van Bécon ertoe hebben aangezet om, in een tijd dat de posterijen en papier met briefhoofd nog niet bestonden, hun stad te verfraaien met de naam van een bloem, en dat alleen maar voor hun plezier, aangezien het andere Franse dorp dat Bécon heet te ver weg ligt om met dit dorp verward te worden. Die vreemdeling zou ook de indruk krijgen dat de heide hier thuishoort, zoals hulst in het Noorden of olijfbomen aan de kust van de Middellandse Zee, dat deze soort hier voorkomt vanwege de bodemgesteldheid en niet, wat veel aardiger is, dat hij hier bij toeval bloeit.

Download de complete tekst Bécon-les-Bruyères_vertaling_EB