Louis Hémon, Maria Chapdelaine

kaft

Wat een snoepje van een boekje. Twaalf centimeter hoog, batik band met goud. Prijs f 1,95. Zo gaf Meulenhoff in 1923 deze roman uit in de reeks Kleine boeken van groote schrijvers. De vertaling was van Marguérite de Rouville.

Heerlijk leesvoer, dit verhaal over kolonisten in Quebec die steeds verder naar het noorden trekken om land te ontginnen. Het leven is hard, het klimaat is bar, de natuur onverbiddelijk. Maria Chapdelaine is een flinke, mooie meid van een jaar of zestien, zeventien die opgroeit in een kolonistengezin. Vader Chapdelaine is een boer met een rusteloze aard. Steeds als hij een stuk grond in cultuur heeft gebracht en het gezin het wat gerieflijker krijgt, wil hij verder, naar een nog afgelegener plek, nieuw land ontginnen. Maria is verliefd op François, die een vrij en zwervend bestaan leidt als pelsjager, woudloper en gids. ’s Winters in een sneeuwstorm verdwaalt haar geliefde in het bos, ‘en iedereen weet wat verdwalen in het bos in de winter betekent.’ Einde van de romantiek, het leven dwingt Maria tot het maken van keuzes.

De in 1880 geboren schrijver Louis Hémon is een Franse journalist met schrijversambities. In 1912 trekt hij naar Canada. Hij brengt een aantal maanden door in de omgeving van het dorpje Péribonka, werkt op het land en in het bos en verzamelt materiaal voor de roman die hij wil schrijven. Op 26 juni 2013 stuurt hij het manuscript van Maria Chapdelaine naar de krant Le Temps. Hij wil verder naar het westen, maar op 8 juli wordt hij, lopend naast de spoorbaan, gegrepen door een trein. Hij sterft, 32 jaar oud.

De roman wordt in Frans Canada al enthousiast ontvangen bij de eerste verschijning in 1916, maar het grote succes komt nadat het boek in 1921 is verschenen bij de bekende Parijse uitgever Grasset. De roman beleeft herdruk op herdruk en het dorpje Péribonka wordt overstroomd door journalisten en toeristen; in het dorp wordt een standbeeld opgericht en een klein museum geopend.

In 1921 verschijnt al de eerste vertaling in het Engels, in 1923 gevolgd door vertalingen in het Deens, Pools en Nederlands. Later volgen nog vele vertalingen, o.a. in het Spaans, Italiaans, Slowaaks, Japans, Roemeens en Catalaans.

Maria Chapdelaine, een verhaal uit Frans Canada

‘Ite missa est.’ De deur van de kerk van Péribonka ging open en de mannen begonnen naar buiten te komen.

De kerk, die langs de weg op de hoge oever van de Péribonka lag, maakte even daarvoor nog een verlaten indruk, de bevroren en met sneeuw bedekte rivier leek op een lege vlakte. De sneeuw lag ook nog dik op de weg en op de velden, want de enkele stralen die de aprilzon tussen de grijze wolken doorzond gaven nog geen warmte en de grote voorjaarsregens waren nog niet gekomen.

Al die koude witheid, het onbeduidende houten kerkje, de al even onbeduidende houten huizen die hier en daar langs de weg stonden, en dreigend dichtbij de donkere zoom van het bos, alles getuigde van een hard leven in een streng land. Maar daar stapten de mannen en de jongelui de kerkdeur uit en verzamelden zich in groepjes op het ruime bordes, ze begroetten elkaar vrolijk, grappen vlogen heen en weer tussen de groepjes, aan een stuk door werden vrolijke en serieuze opmerkingen uitgewisseld, dit alles getuigde van de onuitroeibare opgewektheid van deze mensen, die zich door niets lieten weerhouden om te lachen.

Cleophas Pesant, zoon van de smid Thadee Pesant, stond al te pronken in een lichtgekleurd zomerpak, een Amerikaans pak met brede schoudervullingen, alleen had hij op deze nog koude zondag zijn winterse hoofddeksel opgehouden, een zwarte pet met oorkleppen gevoerd met hazenbont, in plaats van de harde vilthoed die hij graag zou hebben gedragen.

Bij het verlaten van de kerk haakten Egide Simard en anderen die net als hij met de slee van ver waren gekomen hun dikke bontjassen dicht en snoerden die om hun middel vast met een rode sjaal. Jongelui uit het dorp, zeer elegant in hun pelsjassen met een kraag van otterbont, richtten zich respectvol tot de oude Nazaire Larouche, een oude grijze man met brede hoekige schouders, die zijn dagelijkse kleding niet had aangepast voor de mis: een kort kledingstuk van bruine stof gevoerd met schapenvacht, een gelapte kniebroek en dikke grijze wollen kousen in mocassins van elandenhuid.

En, meneer Larouche, hoe lopen de zaken aan de andere kant van het water?

Download de complete tekst Maria Chapdelaine_vertaling_EB

 

Emmanuel Bove, Bécon-les-Bruyères

Emmanuel Bove leefde van 1898 tot 1945. Als hij veertien jaar is besluit hij dat hij schrijver wil worden. Nadat hij eerst een aantal populaire romans heeft geschreven onder het pseudoniem Jean Vallois, publiceert hij in 1924 zijn eerste roman onder de naam Emmanuel Bove: Mes Amis. Het boek is een succes. Het oeuvre van Bove heeft een geheel eigen karakter. Vooral portretteert hij mensen, op een fijnzinnige, enigszins melancholieke manier, gewone mensen, mensen die het meestal niet zo erg getroffen hebben in het leven.

In Bécon-les-Bruyères observeert hij geen mensen, maar een stad. Dit boekje werd oorspronkelijk in opdracht geschreven voor een uitgever die een reeks ‘Portretten van Frankrijk’ uitgaf. Steden als Toulon, Rouen en Marseille werden geportretteerd door bekende schrijvers. Geheel in zijn eigen lijn, portretteert Bove geen prachtige stad met een roemrijk verleden, maar het voorstadje van Parijs waar hij op dat moment woont: Bécon-les-Bruyères. Een onopvallend, lelijk, doodgewoon stadje. Er valt helemaal niets te beleven, behalve als je door de ogen van Emmanuel Bove kijkt.

bove_website

Bécon-les-Bruyères

1

Het treinkaartje dat je koopt naar Bécon-les-Bruyères lijkt op dat waarmee je naar willekeurig welke stad reist. Het is van het in Frankrijk eens en voor al vastgestelde formaat. Op het retourtje staat dezelfde rode R als op een kaartje naar Marseille. Op de achterkant staan dezelfde vermaningen. Je gedachten gaan naar die directeuren die de macht hebben een stuk papier de waarde te geven die zij willen, door er simpelweg een cijfer op te laten drukken, en dat brengt je vervolgens op de gedachte dat er geen verschil is in administratieve formaliteiten, of het nu gaat om het innen van een franc of een miljoen. Alleen dat kaartje van gewoon papier en van ongewoon formaat dat de controleur aan een reiziger zonder vervoerbewijs geeft, nadat hij er een handtekening op heeft gezet die net zo nutteloos is als die op een reclamefolder, lijkt te passen bij een reis naar Bécon-les-Bruyères.

Net zo min als er goede kinderen wonen in de rue des Bons-Enfants, of lelies staan in de Closerie des Lilas, of een calvarie op de place du Calvaire, bloeit er nog heide in Bécon-les-Bruyères. Voor zover ze nog niet dood zijn, herinneren de genodigden die in 1891 aanwezig waren bij de opening van het station, of de eerste voetbalspelers met korte broeken tot op de knieën, zich misschien nog wel het braakliggende land waar de heide groeide, de enkele fabrieksschoorstenen te midden van open vlaktes, en de houten kramen die nog niet afgeschuind waren op de tijdens de oorlog bedachte manier. Als zij nu op deze plek terug zouden komen, zouden ze vergeefs zoeken naar de vlaggen en de lampions, of de kleedkamer en de doelen die ze zich herinneren. Hoewel ze toen al volwassen waren, zouden de straten hen nu toch kleiner toeschijnen. Bécon-les-Bruyères is groot geworden zonder hen. Het heeft de stad, als een bezadigd geworden feestnummer, moeite gekost serieus te worden genomen. De getuigen van haar verleden brengen haar in verlegenheid. Ze ontvangt die dan ook koeltjes, in een station dat lijkt op alle andere. Als ze toevallig een eindje zouden gaan wandelen, zouden ze toch wel wat heide vinden, maar er is nog maar zo weinig over dat een stad er net zo min naar genoemd zou worden als een café als La Closerie naar het boeket lelies van een vreemdelinge. Huizen van vier tot acht verdiepingen nemen de velden in beslag waar de heide bloeide. Omdat ze gebouwd zijn op tuinen, op historische plaatsen, op stukken grond waar bij het graven van de funderingen munten, botten en beeldjes aan het licht kwamen, is de uitdrukking op hun gevel er een van mensen die andere mensen leed hebben aangedaan, en wier positie berust op de zelfverloochening van hun vrienden. Ze zijn verstard. De bewoners die uit het raam kijken, de rook uit de schoorstenen, de naar buiten waaiende gordijnen, brengen ze niet tot leven. Ze drukken met hun hele gewicht op de heideplanten, zoals grafmonumenten op het weerloze lichaam van de doden. En als een van die gebouwen gesloopt zou worden omdat het niet in de rij past, en er op die plek weer heide zou groeien, zou een vreemdeling denken dat het die planten waren, en niet de heide die er niet meer is, die de bewoners van Bécon ertoe hebben aangezet om, in een tijd dat de posterijen en papier met briefhoofd nog niet bestonden, hun stad te verfraaien met de naam van een bloem, en dat alleen maar voor hun plezier, aangezien het andere Franse dorp dat Bécon heet te ver weg ligt om met dit dorp verward te worden. Die vreemdeling zou ook de indruk krijgen dat de heide hier thuishoort, zoals hulst in het Noorden of olijfbomen aan de kust van de Middellandse Zee, dat deze soort hier voorkomt vanwege de bodemgesteldheid en niet, wat veel aardiger is, dat hij hier bij toeval bloeit.

Download de complete tekst Bécon-les-Bruyères_vertaling_EB