Metamorphosis

Het eerste exemplaar van Metamorphosis, over de Franse kunstenaar Jean Cocteau, is 10 november aangeboden bij de opening van de overzichtstentoonstelling van het werk van Cocteau in het Designmuseum in Den Bosch. Het is geschreven door Ioannis Kontaxopoulos, een kenner en verzamelaar van het werk van Cocteau

Jean Cocteau (1889-1963) is een tot de verbeelding sprekende kunstenaar. Hij uitte zich in bijna alle artistieke media: poëzie, literatuur, beeldende kunst, vormgeving, theater en zijn favoriete medium film.
Meer nog dan om zijn werk was hij bekend om zijn opmerkelijke leven. Hij omgaf zich met beroemdheden als Sergei Diaghilev, Edith Piaf, Pablo Picasso en Coco Chanel en was zich bewust van zijn publieke imago.

Triomf van de angst

Triomf van de angst, de geopolitiek van series, van de Franse politicoloog Dominique Moïsi verschijnt 16 november bij Boomgeschiedenis. De schrijver duidt de tijdgeest aan de hand van series waar wereldwijd miljoenen mensen naar kijken. Game of thrones, Homeland,  Downton Abbey… Hij stelt dat series ons inzicht geven in de geopolitieke verhoudingen en de dominante emoties van vandaag.

Waarom de Chinezen de tijd mee hebben

Mijn vertaling van ‘Pourquoi les Chinois ont-ils le temps?’ van de Franse filosofe Christine Cayol is klaar.

Volgens planning verschijnt het eind augustus bij uitgeverij Ten Have.

We doen alles steeds sneller, maar lijken steeds minder tijd te hebben. In plaats van tijdsmanagement hebben we een andere tijdsbeleving nodig!

Christine Cayol leerde in China dat tijd ons niet gevangen houdt, maar juist een dierbare bondgenoot is. Chinezen gaan flexibeler, pragmatischer en spiritueler met de tijd om dan wij. Van de Chinese cultuur kunnen we leren dat er verschillende manieren zijn om de tijd te beleven. Een boek dat aansluit bij de interesse voor China als wereldmacht.

De Franse filosofe Christine Cayol woont al vijftien jaar in Peking. Ze richtte vlak bij de Verboden Stad een internationaal cultureel centrum op, waar kunstenaars uit Oost en West elkaar kunnen ontmoeten.

Een politiek van vijandschap

Mijn vertaling van ‘Politiques de l’inimitié’ en ‘Necropolitics’ van de auteur Achille Mbembe zijn   samen uitgegeven onder de titel ‘Een politiek van vijandschap’.

Uit de aanbiedingsfolder van Boomfilosofie:

In een wereld waarin muren worden opgetrokken houdt Achille Mbembe ons een confronterende spiegel voor. Een zeer actueel boek van de meesterdenker van het postkolonialisme.

 

Democratie of dictatoriale actor?
Sinds de koloniale oorlogen gaan liberaal-democratische staten steeds vaker en makkelijker over tot het instellen van de uitzonderingstoestand waarin acties tegen vijanden niet meer gebonden zijn aan wettelijke beperkingen. Democratieën dreigen zo te verworden tot dictatoriale actoren.

 

Voorbij het humanisme

Achille Mbembe onderzoekt de gevolgen van deze verschuiving, analyseert de nieuwe relatie tussen geweld en wet, en tussen norm en uitzondering. Hij verkent de voorwaarden van oorlog, vrijheid en veiligheid. In Een politiek van vijandschap ontwikkelt Mbembe een kader waarin deze ontwikkelingen bediscussieerd kunnen worden. Volgens hem moeten we voorbij het humanisme op zoek gaan naar een politiek van menselijkheid.

Het leven lacht mij nu weer toe

Pour moi la vie va commencer
Jean-Jacques Debout/ Johnny Hallyday

Door mij vertaald in 2013 voor de vertaalwedstrijd Nederland vertaalt.

download hier de originele tekst met de vertaling:

Pour moi la vie va commencer_vertaling_EB

Nu lacht het leven mij weer toe
Nu ik terugkeer naar het land
Hier waar de wolken en de wind
Waar vriendschap en familieband
Waar alles zegt: hier was ik kind

Nu lacht het leven mij weer toe
Want ik weet weer hoe het was
De warme zon de geur van gras
Te paard met vrienden uit mijn klas
Hier lacht het leven mij weer toe

Nu lacht het leven mij weer toe
Als d’ avond valt ben ik niet bang
Ik ken dit duister al zo lang
De paarden trekken in een rij
Verweg als schaduwen voorbij.

Nu lacht het leven mij weer toe
Hier in dit land zo wijd en vrij
Hier waar ik nooit verveling ken
Waar ik altijd gelukkig ben
Met mijn vrienden aan mijn zij.

Nu lacht het leven mij weer toe
Nu lacht het leven mij weer toe
Nu lacht het leven mij weer toe

Herfstzang

Chant d’automne – Charles Baudelaire

Door mij vertaald in 2015 voor een poëzieworkshop van de Vertalersvakschool

Download hier de originele tekst met de vertaling: Chant d’automne_vertaling_EB

I
In koude duisternis zullen wij verzinken;
Vaarwel te korte zomer, vol levend helder licht.
Ik hoor de blokken hout op de stenen klinken,
En in dat dof geplof weergalmt een doodsbericht.

De winter dringt door tot het diepst van mijn ziel: haat,
Woede, huiver, afschuw, afmattende arbeid;
Als de rode poolzon koud aan de hemel staat,
Wordt ook mijn hart een blok, verijsd in helse tijd.

Ik hoor bij ieder blok een huiverend geluid:
De doffe echo van de bouw van een schavot.
De stugge zware slag dooft mijn geest langzaam uit,
Gelijk de stormram sloopt de torens van het slot.

Het eentonig geklop voert mij mee ver van hier;
Wordt een doodskist gemaakt? Hamers haastig en snel.
Voor wie? Zomer was gisteren; herfst is nu hier!
Geheimzinnig gerucht als een laatste vaarwel.

II

Ik houd van je ogen met hun groenige licht;
Zoete schoonheid, maar nu is alles mij bitter.
Want niets, de knusse salon, jouw lieve gezicht,
Is mij waard het zomerse zonnegeschitter.

En toch, geef mij je hart, liefde en tederheid,
Wees moeder, zelfs voor een lastige onverlaat;
Minnares of zuster, wees de broze zachtheid
Van een najaarszon die in luister ondergaat.

Laat mij om de hete witte zomer treuren,
Ons wacht het graf, men hoeft slechts kort zijn plicht te doen
Met mijn hoofd in jouw schoot, wil ik nu bespeuren
Het gele, zachte licht van het late seizoen.

Ik ben bang

J’AI PEUR (Allain Leprest – Jean Ferrat)

Door mij vertaald in 2015.

download hier de originele tekst met de vertaling: J’ai peur met vertaling

Ik ben bang

Ik ben bang voor straten, pleinen
Vuur, en kruisen met bloed bevlekt
Lentes die zo breekbaar schijnen
Als de poten van een insect.

Ik ben bang voor mij en voor jou
Voor wijd open kinderogen
Voor lucht en bloemen, wind en kou
Voor ouderdom en mededogen.

Ik ben bang voor vogels, honden
Voor zwarte stilte en geschreeuw
Woorden die hun stem niet vonden
Voor vingers schrijvend in de sneeuw.

Ik ben bang voor dans, voor zang
Bang voor wie speelt en lacht en huilt
Spreek van de wolf, dan ben ik bang
Bang dat hij zich in mij verschuilt.

Ik ben bang, bang, bang
Ik ben bang.

Ik ben bang voor boze blikken
Ik knijp’ em, krijg het stikbenauwd
Klappertanden, knieënknikken
Beurtelings word ik heet en koud.

Ik ben bang voor kleine dingen
Voor waar dan ook en weet ik veel
Ziektes die je slinks doordringen
En daarna grijpen bij de keel.

Ik ben bang voor stille stemmen
Van vroeger en nooit meer gehoord
Schaduwen die mij beklemmen
Licht dat fel door het duister boort.

Ik ben bang voor drakenvloten
Voor vuur en vlam en hand en tand
IJzingwekkende despoten
Voor oogst die op de velden brandt.

Ik ben bang, bang, bang
Ik ben bang.

Ik ben bang voor alleen en samen
En voor de klanken van een lied
Voor tederheid, voor lieve namen
Voor de ster die te snel verschiet.

Ik ben bang voor het scherpe mes
Dat het leven in stukken snijdt
Bang voor de bloedjonge prinses
Die heftig met haar vriendje vrijt.

Ik ben bang voor zacht geflonker
Bang voor jouw hand in de mijne
Vuurvliegjes in aardedonker
Die het pad flauwtjes beschijnen.

Ik ben bang voor stalen muren
Voor toekomst die ik niet vertrouw
Zachtheid die niet lang kan duren
Ontwaken rillend van de kou.

Ik ben bang, bang, bang
Ik ben bang.

Ik ben bang om thuis te komen
In het huis waar de tijd vervliegt
Waar mijn moeder in haar dromen
Een lang verdwenen kindje wiegt.

Ik ben bang voor najaarsbomen
Het stille rotten van het loof
Ogen aan het licht ontkomen
Voor hersens stom en blind en doof.

Ik ben bang voor scherpe geuren
Voor moerasplanten die vergaan
Wolken die de ochtend kleuren
Nog zoveel ochtenden te gaan.

Ik ben bang voor de klok, de tijd
Tikkend met zijn gevreesde stem
Onverbiddelijk raak ik kwijt
Al wat ik in mijn armen klem.

Ik ben bang, bang, bang
Ik ben bang.

Louis Hémon, Maria Chapdelaine

kaft

Wat een snoepje van een boekje. Twaalf centimeter hoog, batik band met goud. Prijs f 1,95. Zo gaf Meulenhoff in 1923 deze roman uit in de reeks Kleine boeken van groote schrijvers. De vertaling was van Marguérite de Rouville.

Heerlijk leesvoer, dit verhaal over kolonisten in Quebec die steeds verder naar het noorden trekken om land te ontginnen. Het leven is hard, het klimaat is bar, de natuur onverbiddelijk. Maria Chapdelaine is een flinke, mooie meid van een jaar of zestien, zeventien die opgroeit in een kolonistengezin. Vader Chapdelaine is een boer met een rusteloze aard. Steeds als hij een stuk grond in cultuur heeft gebracht en het gezin het wat gerieflijker krijgt, wil hij verder, naar een nog afgelegener plek, nieuw land ontginnen. Maria is verliefd op François, die een vrij en zwervend bestaan leidt als pelsjager, woudloper en gids. ’s Winters in een sneeuwstorm verdwaalt haar geliefde in het bos, ‘en iedereen weet wat verdwalen in het bos in de winter betekent.’ Einde van de romantiek, het leven dwingt Maria tot het maken van keuzes.

De in 1880 geboren schrijver Louis Hémon is een Franse journalist met schrijversambities. In 1912 trekt hij naar Canada. Hij brengt een aantal maanden door in de omgeving van het dorpje Péribonka, werkt op het land en in het bos en verzamelt materiaal voor de roman die hij wil schrijven. Op 26 juni 2013 stuurt hij het manuscript van Maria Chapdelaine naar de krant Le Temps. Hij wil verder naar het westen, maar op 8 juli wordt hij, lopend naast de spoorbaan, gegrepen door een trein. Hij sterft, 32 jaar oud.

De roman wordt in Frans Canada al enthousiast ontvangen bij de eerste verschijning in 1916, maar het grote succes komt nadat het boek in 1921 is verschenen bij de bekende Parijse uitgever Grasset. De roman beleeft herdruk op herdruk en het dorpje Péribonka wordt overstroomd door journalisten en toeristen; in het dorp wordt een standbeeld opgericht en een klein museum geopend.

In 1921 verschijnt al de eerste vertaling in het Engels, in 1923 gevolgd door vertalingen in het Deens, Pools en Nederlands. Later volgen nog vele vertalingen, o.a. in het Spaans, Italiaans, Slowaaks, Japans, Roemeens en Catalaans.

Maria Chapdelaine, een verhaal uit Frans Canada

‘Ite missa est.’ De deur van de kerk van Péribonka ging open en de mannen begonnen naar buiten te komen.

De kerk, die langs de weg op de hoge oever van de Péribonka lag, maakte even daarvoor nog een verlaten indruk, de bevroren en met sneeuw bedekte rivier leek op een lege vlakte. De sneeuw lag ook nog dik op de weg en op de velden, want de enkele stralen die de aprilzon tussen de grijze wolken doorzond gaven nog geen warmte en de grote voorjaarsregens waren nog niet gekomen.

Al die koude witheid, het onbeduidende houten kerkje, de al even onbeduidende houten huizen die hier en daar langs de weg stonden, en dreigend dichtbij de donkere zoom van het bos, alles getuigde van een hard leven in een streng land. Maar daar stapten de mannen en de jongelui de kerkdeur uit en verzamelden zich in groepjes op het ruime bordes, ze begroetten elkaar vrolijk, grappen vlogen heen en weer tussen de groepjes, aan een stuk door werden vrolijke en serieuze opmerkingen uitgewisseld, dit alles getuigde van de onuitroeibare opgewektheid van deze mensen, die zich door niets lieten weerhouden om te lachen.

Cleophas Pesant, zoon van de smid Thadee Pesant, stond al te pronken in een lichtgekleurd zomerpak, een Amerikaans pak met brede schoudervullingen, alleen had hij op deze nog koude zondag zijn winterse hoofddeksel opgehouden, een zwarte pet met oorkleppen gevoerd met hazenbont, in plaats van de harde vilthoed die hij graag zou hebben gedragen.

Bij het verlaten van de kerk haakten Egide Simard en anderen die net als hij met de slee van ver waren gekomen hun dikke bontjassen dicht en snoerden die om hun middel vast met een rode sjaal. Jongelui uit het dorp, zeer elegant in hun pelsjassen met een kraag van otterbont, richtten zich respectvol tot de oude Nazaire Larouche, een oude grijze man met brede hoekige schouders, die zijn dagelijkse kleding niet had aangepast voor de mis: een kort kledingstuk van bruine stof gevoerd met schapenvacht, een gelapte kniebroek en dikke grijze wollen kousen in mocassins van elandenhuid.

En, meneer Larouche, hoe lopen de zaken aan de andere kant van het water?

Download de complete tekst Maria Chapdelaine_vertaling_EB

 

Emmanuel Bove, Bécon-les-Bruyères

Emmanuel Bove leefde van 1898 tot 1945. Als hij veertien jaar is besluit hij dat hij schrijver wil worden. Nadat hij eerst een aantal populaire romans heeft geschreven onder het pseudoniem Jean Vallois, publiceert hij in 1924 zijn eerste roman onder de naam Emmanuel Bove: Mes Amis. Het boek is een succes. Het oeuvre van Bove heeft een geheel eigen karakter. Vooral portretteert hij mensen, op een fijnzinnige, enigszins melancholieke manier, gewone mensen, mensen die het meestal niet zo erg getroffen hebben in het leven.

In Bécon-les-Bruyères observeert hij geen mensen, maar een stad. Dit boekje werd oorspronkelijk in opdracht geschreven voor een uitgever die een reeks ‘Portretten van Frankrijk’ uitgaf. Steden als Toulon, Rouen en Marseille werden geportretteerd door bekende schrijvers. Geheel in zijn eigen lijn, portretteert Bove geen prachtige stad met een roemrijk verleden, maar het voorstadje van Parijs waar hij op dat moment woont: Bécon-les-Bruyères. Een onopvallend, lelijk, doodgewoon stadje. Er valt helemaal niets te beleven, behalve als je door de ogen van Emmanuel Bove kijkt.

bove_website

Bécon-les-Bruyères

1

Het treinkaartje dat je koopt naar Bécon-les-Bruyères lijkt op dat waarmee je naar willekeurig welke stad reist. Het is van het in Frankrijk eens en voor al vastgestelde formaat. Op het retourtje staat dezelfde rode R als op een kaartje naar Marseille. Op de achterkant staan dezelfde vermaningen. Je gedachten gaan naar die directeuren die de macht hebben een stuk papier de waarde te geven die zij willen, door er simpelweg een cijfer op te laten drukken, en dat brengt je vervolgens op de gedachte dat er geen verschil is in administratieve formaliteiten, of het nu gaat om het innen van een franc of een miljoen. Alleen dat kaartje van gewoon papier en van ongewoon formaat dat de controleur aan een reiziger zonder vervoerbewijs geeft, nadat hij er een handtekening op heeft gezet die net zo nutteloos is als die op een reclamefolder, lijkt te passen bij een reis naar Bécon-les-Bruyères.

Net zo min als er goede kinderen wonen in de rue des Bons-Enfants, of lelies staan in de Closerie des Lilas, of een calvarie op de place du Calvaire, bloeit er nog heide in Bécon-les-Bruyères. Voor zover ze nog niet dood zijn, herinneren de genodigden die in 1891 aanwezig waren bij de opening van het station, of de eerste voetbalspelers met korte broeken tot op de knieën, zich misschien nog wel het braakliggende land waar de heide groeide, de enkele fabrieksschoorstenen te midden van open vlaktes, en de houten kramen die nog niet afgeschuind waren op de tijdens de oorlog bedachte manier. Als zij nu op deze plek terug zouden komen, zouden ze vergeefs zoeken naar de vlaggen en de lampions, of de kleedkamer en de doelen die ze zich herinneren. Hoewel ze toen al volwassen waren, zouden de straten hen nu toch kleiner toeschijnen. Bécon-les-Bruyères is groot geworden zonder hen. Het heeft de stad, als een bezadigd geworden feestnummer, moeite gekost serieus te worden genomen. De getuigen van haar verleden brengen haar in verlegenheid. Ze ontvangt die dan ook koeltjes, in een station dat lijkt op alle andere. Als ze toevallig een eindje zouden gaan wandelen, zouden ze toch wel wat heide vinden, maar er is nog maar zo weinig over dat een stad er net zo min naar genoemd zou worden als een café als La Closerie naar het boeket lelies van een vreemdelinge. Huizen van vier tot acht verdiepingen nemen de velden in beslag waar de heide bloeide. Omdat ze gebouwd zijn op tuinen, op historische plaatsen, op stukken grond waar bij het graven van de funderingen munten, botten en beeldjes aan het licht kwamen, is de uitdrukking op hun gevel er een van mensen die andere mensen leed hebben aangedaan, en wier positie berust op de zelfverloochening van hun vrienden. Ze zijn verstard. De bewoners die uit het raam kijken, de rook uit de schoorstenen, de naar buiten waaiende gordijnen, brengen ze niet tot leven. Ze drukken met hun hele gewicht op de heideplanten, zoals grafmonumenten op het weerloze lichaam van de doden. En als een van die gebouwen gesloopt zou worden omdat het niet in de rij past, en er op die plek weer heide zou groeien, zou een vreemdeling denken dat het die planten waren, en niet de heide die er niet meer is, die de bewoners van Bécon ertoe hebben aangezet om, in een tijd dat de posterijen en papier met briefhoofd nog niet bestonden, hun stad te verfraaien met de naam van een bloem, en dat alleen maar voor hun plezier, aangezien het andere Franse dorp dat Bécon heet te ver weg ligt om met dit dorp verward te worden. Die vreemdeling zou ook de indruk krijgen dat de heide hier thuishoort, zoals hulst in het Noorden of olijfbomen aan de kust van de Middellandse Zee, dat deze soort hier voorkomt vanwege de bodemgesteldheid en niet, wat veel aardiger is, dat hij hier bij toeval bloeit.

Download de complete tekst Bécon-les-Bruyères_vertaling_EB